Nieuwe box 3-stelsel opnieuw onzeker
3 september 2026De invoering van een nieuw box 3-stelsel per 2028 is opnieuw onzeker geworden. Coalitiepartijen VVD, D66 en CDA zouden het niet eens zijn geworden over de manier waarop vermogen in de toekomst moet worden belast.
Volgens uitgelekte Prinsjesdagstukken wil het kabinet daarom de behandeling van het huidige wetsvoorstel voorlopig uitstellen.
Het wetsvoorstel dat nu bij de Eerste Kamer ligt, moet het huidige box 3-stelsel vervangen door een belastingheffing die meer aansluit bij het werkelijk behaalde rendement. De Tweede Kamer stemde in februari 2026 al met het voorstel in. In de Eerste Kamer ontstond echter stevige kritiek op de gekozen systematiek, waarna de stemming deze zomer werd uitgesteld.
De nieuwe vertraging roept de vraag op of invoering op 1 januari 2028 nog haalbaar is.
Van fictief naar werkelijk rendement
In het huidige box 3-stelsel wordt de belasting in beginsel berekend aan de hand van forfaitaire rendementen. Daarbij maakt de Belastingdienst onderscheid tussen onder meer spaargeld en beleggingen en andere bezittingen.
Voor 2026 wordt bij de voorlopige aanslag bijvoorbeeld gerekend met een forfaitair rendement van 1,28% voor banktegoeden en 6,00% voor beleggingen en overige bezittingen. Over het berekende box 3-inkomen geldt in 2026 een belastingtarief van 36%.
Tegelijkertijd is het huidige systeem aangepast naar aanleiding van verschillende uitspraken van de Hoge Raad. Wanneer het werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitaire rendement, kan een belastingplichtige het werkelijke rendement doorgeven. De Belastingdienst past vervolgens de voor de belastingplichtige meest gunstige berekening toe.
Deze zogenoemde tegenbewijsregeling blijft van belang zolang er geen definitief nieuw box 3-stelsel is.
Waar gaat de politieke discussie over?
Dat vermogen op termijn op basis van werkelijk rendement moet worden belast, staat nauwelijks ter discussie. De politieke verdeeldheid gaat vooral over het moment waarop belasting wordt geheven.
In het wetsvoorstel dat momenteel bij de Eerste Kamer ligt, vormt een vermogensaanwasbelasting het uitgangspunt voor onder meer aandelen en andere beleggingen. Daarbij wordt niet alleen belasting geheven over ontvangen rente en dividend, maar ook over waardestijgingen gedurende het jaar.
Een belegger die aandelen voor €100.000 bezit en deze in een jaar in waarde ziet stijgen naar €110.000, kan daardoor belasting verschuldigd zijn over die waardestijging van €10.000, ook wanneer de aandelen niet zijn verkocht.
Juist dit onderdeel krijgt veel kritiek. De belastingplichtige heeft de winst op dat moment immers nog niet daadwerkelijk ontvangen.
Alternatief: belasting betalen bij verkoop
VVD en CDA voelen meer voor een volledige vermogenswinstbelasting. Daarbij ontstaat de belastingheffing in beginsel pas wanneer een winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld wanneer aandelen, cryptovaluta of andere vermogensbestanddelen worden verkocht.
Bij dezelfde belegger uit het voorbeeld zou de waardestijging van €10.000 dan niet direct tot belastingheffing leiden. Pas bij verkoop van de aandelen wordt de gerealiseerde winst belast.
Dat voorkomt dat belasting moet worden betaald over een papieren winst, maar heeft ook nadelen. Beleggers kunnen belastingheffing bijvoorbeeld langdurig uitstellen door hun beleggingen niet te verkopen. Bovendien is de uitvoering aanzienlijk ingewikkelder, omdat historische aankoopprijzen en gerealiseerde winsten moeten worden bijgehouden.
Een volledige vermogenswinstbelasting zou volgens eerdere ambtelijke informatie bovendien uitvoeringstechnisch niet vóór 2032 kunnen worden ingevoerd.
Wat betekent het mogelijke uitstel voor belastingplichtigen?
Voor spaarders, beleggers en bezitters van bijvoorbeeld een tweede woning verandert er op korte termijn nog niets door de politieke discussie.
Zolang geen nieuw stelsel is ingevoerd, blijft de huidige systematiek van toepassing. Daarbij wordt eerst met forfaitaire rendementen gerekend. Is het werkelijke rendement lager, dan kan de belastingplichtige onder voorwaarden gebruikmaken van de tegenbewijsregeling.
Voor mensen die hoge beleggingsrendementen behalen, kan een langer verblijf in het huidige systeem juist gunstig uitpakken. Als het daadwerkelijke rendement hoger is dan het forfaitaire rendement, wordt namelijk niet alsnog over dat hogere rendement geheven.
Daar staat tegenover dat belastingplichtigen met tegenvallende rendementen administratief steeds vaker gegevens over hun werkelijke rendement nodig hebben. Denk aan ontvangen rente en dividend, maar ook aan waardeveranderingen van aandelen, cryptovaluta en vastgoed.
Voor vastgoedbezitters speelt bovendien dat vanaf 2026 bij de berekening van het werkelijke rendement rekening kan worden gehouden met een bijtelling voor het eigen gebruik van een tweede woning of andere onroerende zaak.
Nog geen definitief besluit
Het huidige wetsvoorstel is dus nog niet definitief van tafel. De Eerste Kamer heeft er nog niet over gestemd. Wel lijkt de discussie zich steeds nadrukkelijker te verplaatsen naar de vraag of Nederland uiteindelijk volledig moet overstappen op een vermogenswinstbelasting.
Dat zou een fundamenteel andere richting zijn dan het stelsel dat vanaf 2028 had moeten ingaan.
Voor belastingplichtigen betekent de huidige situatie vooral dat de onzekerheid voortduurt. Wie spaargeld, beleggingen, cryptovaluta of vastgoed in box 3 heeft, doet er voorlopig goed aan niet alleen de waarde van zijn vermogen, maar ook het daadwerkelijk behaalde rendement goed te blijven administreren. Juist zolang het tijdelijke stelsel en de tegenbewijsregeling blijven bestaan, kunnen die gegevens rechtstreeks van invloed zijn op de uiteindelijke belastingheffing.
Heeft u vragen over het box 3-stelsel? Wij denken graag met u mee. Neem hiervoor contact met ons op.
