Box 3 gaat op de schop: belasting op écht rendement vanaf 2028
3 maart 2026Op 12 februari 2026 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen. Daarmee is een belangrijke stap gezet richting een nieuw box 3-stelsel waarin belasting wordt geheven over het daadwerkelijk behaalde rendement in plaats van een forfaitair verondersteld rendement. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Eerste Kamer.
Het uitgangspunt van de nieuwe wet is belastingheffing op basis van het werkelijke rendement. In beginsel wordt gekozen voor een vermogensaanwasbelasting. Dit betekent dat jaarlijks belasting wordt geheven over reguliere inkomsten zoals rente, huur en dividend, én over (on)gerealiseerde waardeveranderingen van vermogensbestanddelen. Hiermee wordt langdurig uitstel van belastingheffing voorkomen en hoeven belastingplichtigen minder lang historische kostprijsgegevens bij te houden.
Tegelijkertijd kan belastingheffing over ongerealiseerde waardestijgingen tot liquiditeitsproblemen leiden, met name bij minder liquide bezittingen. Daarom wordt voor onroerende zaken en aandelen in startende ondernemingen een vermogenswinstbelasting toegepast. In die gevallen worden waardemutaties pas belast bij realisatie (bijvoorbeeld bij verkoop) of bij het einde van de belastingplicht in Nederland. Voor bestaande bezittingen geldt als startpunt de waarde per 1 januari 2028 (voor woningen de WOZ-waarde met waardepeildatum 1 januari 2028).
Opvallend is dat in het op 30 januari 2026 gesloten coalitieakkoord ‘Aan de slag’ van D66, VVD en CDA al is aangekondigd dat box 3 op termijn mogelijk volledig wordt omgevormd tot een vermogenswinstbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling bleek bovendien dat er stevige kritiek bestaat op de vermogensaanwasbelasting.
Belangrijke inhoudelijke wijzigingen
In het nieuwe stelsel worden winstbepalingsregels het uitgangspunt. Dit betekent onder meer dat het zakelijkheidsbeginsel gaat gelden in box 3 en dat onzakelijke transacties kunnen worden gecorrigeerd. De heffing vindt plaats over nominaal inkomen. Voor niet-verhuurde onroerende zaken wordt een forfaitaire vastgoedbijtelling ingevoerd van 3,35% van de waarde aan het begin van het kalenderjaar. Bij verhuurde panden zijn de werkelijke huurinkomsten belast. Wordt een pand slechts een deel van het jaar verhuurd, dan geldt het hoogste van de huurinkomsten of de forfaitaire bijtelling.
Kosten die samenhangen met het inkomen uit bezittingen en schulden zijn in beginsel aftrekbaar, mits zij zijn gemaakt ter verwerving, inning of behoud van inkomen. Daarnaast wordt verliesverrekening mogelijk: negatieve resultaten zijn onbeperkt voorwaarts verrekenbaar, met een drempel van € 500. Een achterwaartse verliesverrekening komt er niet.
Het huidige heffingsvrije vermogen maakt plaats voor een heffingsvrij resultaat van € 1.800 per belastingplichtige. Het belastingtarief wordt vastgesteld op een vlak percentage van 36%.
Informatievoorziening en administratieplicht
Net als in de huidige situatie zal veel informatie worden aangeleverd door banken en andere financiële instellingen. Tegelijkertijd zal een groter beroep worden gedaan op belastingplichtigen zelf. Daarom wordt een wettelijke administratieplicht voor box 3 ingevoerd.
Vooruitblik
Met de aanvaarding van de Wet werkelijk rendement box 3 door de Tweede Kamer is een cruciale stap gezet richting een fundamenteel nieuw stelsel voor vermogensrendementsheffing. Als ook de Eerste Kamer instemt, treedt het nieuwe systeem naar verwachting per 1 januari 2028 in werking. Tegelijkertijd blijft de politieke discussie over de uiteindelijke vormgeving van box 3 nadrukkelijk bestaan.
